In den beginne...

Gepubliceerd op 26 mei 2026 om 18:00

Weten hoe de vrijmetselarij ontstaan is en hoe die zich daarna ontwikkeld heeft in de afgelopen 3 eeuwen helpt om de vrijmetselarij van vandaag de dag te begrijpen en te kunnen plaatsen binnen de huidige samenleving. Dus, waar komt de vrijmetselarij vandaan? En hoe is die in Nederland terechtgekomen? Een achtergrondartikel.*

Bijna 300 jaar lang is de precieze oorsprong van de vrijmetselarij nog altijd een onderwerp met veel vraagtekens. Omgeven door de nodige mystiek en wilde speculaties, wijzen sommigen op verbanden met oud-Egyptische culten, anderen op de 'Knights Templar - de Tempeliers'. Deskundigen zijn het niet eens met de historici, en visa versa. 

'Lodges'
De theorie dat de vrijmetselarij zou zijn ontstaan uit middeleeuwse gilden en kathedralenbouwers, is inmiddels achterhaald. Wel bestaan er al in die tijd ‘lodges’, organisaties van vaklieden in Schotland en Engeland, met verschillende rituele tradities van aan- en opnemen van leden. De ‘freestone masons’, waaraan het woord vrijmetselarij is ontleend, zijn geen eenvoudige werklieden, maar hoogopgeleide beeldhouwers. Zij zijn de enigen die het meest kostbare materiaal, de ‘freestone’, mogen bewerken. De besten onder hen ontwikkelen zich tot bouwmeesters - vergelijkbaar met de architecten van nu - en vormen een culturele elite. De Engelse koning benoemt uit hun midden een ‘Kings Master Mason’, vergelijkbaar met de huidige Grootmeester.
Na verloop van tijd droogt het bouwwerk echter op en moeten de loges zich in de jaren 1715-1740 reorganiseren om te kunnen blijven bestaan. John Theophilus Desaguliers speelt in dit proces een belangrijke rol. Het is al geruime tijd gebruikelijk om leden aan te nemen die geen handwerk leveren, de zogeheten ‘gentleman masons’. Zij krijgen aanvankelijk nog instructie in symboliek en ritueel van bekwame Opzieners. Vanaf circa 1740 bestaan de loges bijna geheel uit 'gentlemen'.
Ook de inwijdingen maken een complexe ontwikkeling door. Er ontstaat een 3-graden systeem, dat in 1730 voor het eerst wordt gepubliceerd.

Eerste Grootloge
Onderzoek toont inmiddels ook aan dat de oprichting van de eerste Grootloge niet, zoals 'The Constitutions' vermelden, plaatsvindt in 1717, maar in 1721. Zo krijgt de vrijmetselarij haar huidige vorm en organisatiestructuur in die vroege 18e eeuw. En vanaf dat moment verspreidt de vrijmetselarij zich over de hele wereld en ontwikkelt ze zich tot een organisatie die zich richt op persoonlijke ontwikkeling, filantropie en het bevorderen van ethiek en broederschap.
Tot zover - én in grote lijnen - de algemene ontstaansgeschiedenis. Maar hoe is nu de vrijmetselarij in Nederland ontstaan?

Vruchtbare voedingsbodem
In Nederland kent de vrijmetselarij ook een lange geschiedenis. De eerste sporen van georganiseerde vrijmetselarij in de Lage Landen dateren uit 1720 als Schotse en Engelse vrijmetselaren actief zijn in Rotterdam. Nederland is dan economisch en cultureel een vooraanstaande natie met een open blik op de wereld. Het biedt daarmee een vruchtbare voedingsbodem voor de opkomst van deze 'geheime' genootschappen die zich dan ook snel verspreiden over de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

La Sincérité
De 1e vrijmetselaarsloge op Nederlands grondgebied wordt in 1734 opgericht in Den Haag. Ze draagt aanvankelijk de lange naam 'Loge du Grand Maître des Provinces-Unies et du Ressort de la Généralité'maar ook de naam 'La Sincérité' komt voor. De loge heeft een Britse constitutie, die verloren is gegaan, maar die haar vermoedelijk de bevoegdheid geeft om ook andere loges te stichten.
Als in Den Haag een 2e loge is opgericht, en ook 2 nieuwe in Amsterdam, neemt deze eerste loge in 1735 de rol van Grootloge op zich. De bijeenkomsten van vrijmetselaren worden echter al gauw door de Staten van Holland en West-Friesland verboden. Het verbod wordt nooit formeel opgeheven, maar vanaf 1744 worden bijeenkomsten van loges weer gedoogd.
Rond 1749 verandert 'La Sincérité' haar naam in 'L’Union'. In 1756 vindt een reorganisatie plaats en wordt de Grootloge heropgericht. 10 ‘loges fondatrices’ uit verschillende steden sluiten zich bij de Grootloge aan. Loge 'L’Union' fuseert met loge 'La Royale' (opgericht in 1753) tot het huidige 'L’Union Royale'.
In deze vroege periode zijn ook loges onder buitenlandse, vaak Britse constituties actief. Ook daarin maken Nederlanders kennis met de 'Koninklijke Kunst' zoals de vrijmetselarij ook wel wordt genoemd. In de 18e eeuw is de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een belangrijke handels- en zeemacht met nauwe banden met Groot-Brittannië. Veel Engelse kooplieden en avonturiers zijn in die tijd in de Republiek actief, waardoor er natuurlijk ook belangstelling ontstaat voor de vrijmetselarij. Ze vindt in die tijd vooral weerklank onder de gegoede burgerij, intellectuelen en de bestuurlijke elite.
In de 18e en 19e eeuw neemt het aantal loges en leden in Nederland dan ook gestaag toe.

Banvloek
De groei van voornamelijk Engelstalige loges in de 18e eeuw gaat niet zonder slag of stoot. De vrijmetselarij wordt steeds meer met de nodige argwaan bekeken en zelfs als subversief, duivels beschouwd.
Met name de rooms-katholieke kerk ziet de vrijmetselarij als een bedreiging voor haar gezag en positie onder de gelovigen, want in de vrijmetselaarsloges komen zij samen met protestanten. In 1738 veroordeelt paus Clemens XII de vrijmetselarij in de bul 'In Eminenti', waarin hij alle katholieken verbiedt lid te worden van de beweging.
Die banvloek bestaat overigens nog altijd, al zijn er anno-nu duidelijk voorzichtige toenaderingen tussen de Roomse Kerk en de vrijmetselarij.

Nationale mijlpaal
De oprichting van de Groote Loge der Zeven Verenigde Nederlanden in 1756 in Den Haag is een belangrijke en 'nationale' mijlpaal in de ontwikkeling van de Nederlandse vrijmetselarij. Deze overkoepelende organisatie, ook wel de 'Moederloge' genoemd, markeert de uiteindelijke start van een zelfstandige Nederlandse vrijmetselaarstraditie.
De Groote Loge der Nederlanden groeit uit tot de leidende instantie voor alle vrijmetselaarsactiviteiten in de Republiek. In 1770 erkent de Engelse Grootloge haar als onafhankelijk en worden geen loges op elkaars grondgebied meer gesticht. De Groote Loge is nu verantwoordelijk voor het toekennen van constitutiebrieven aan nieuwe loges, het opstellen van reglementen en statuten, het bewaken van de tradities en rituelen. Onder haar leiding neemt het aantal aangesloten loges in de loop van de 18e en 19e eeuw flink toe. Tegen het einde van de 19e eeuw telt Nederland meer dan 100 actieve loges, met in totaal enkele duizenden leden.

'Een queekschool'
De 1e vermelding van een logeleven in Nederland stamt dus uit 1734. Een jaar later worden de activiteiten van de ‘Vrywillige Metselaers’ verboden door de Staten van Holland als zijnde ‘een queekschool van facties, beroertes en debauches’. In werkelijkheid ergert de overheid zich aan het soevereine gezag van de Grootloge over de loges. Dit verbod - dat tot in 1744 officieus aangehouden wordt - is uniek in de geschiedenis van de Nederlandse vrijmetselarij en kent alleen tussen 1940 en 1945 een herhaling.
Ondanks het verbod gaat de oprichting van nieuwe loges gestaag door. Die groei versterkt zich nog eens als prins Willem IV in 1747 vanuit Engeland komend aan het hoofd van de Republiek komt te staan. Door de goede verstandhouding tussen de Oranjes en Engeland, kan de vrijmetselarij zich in Nederland daardoor nóg verder ontplooien.
Eén van de grondleggers van de Nederlandse Orde der Vrije Metselaren is de in Frankrijk geboren journalist Jean Rousset de Missy. Rousset, die in Den Haag wordt ingewijd, vestigt zich vervolgens in Amsterdam en richt daar de loge 'De la Paix' op. Deze wordt in 1755 omgedoopt tot loge 'La Bien Aimée'.
Rousset is een actief en geëngageerd man. In 1748 kiest hij tijdens het Doelistenoproer partij voor de Doelisten, zo genoemd omdat zij in de Kloveniersdoelen, de oefenplaats van de schutters, vergaderen. Hij ventileert daarbij sterk democratische ideeën en roept het volk op tot opstand ter afbraak van de regentenkliek.
Saillant detail: De prominente rol die Nederlandse vrijmetselaren spelen in de democratische en liberale bewegingen van die tijd, is opvallend. Hoewel politiek buiten de loges gehouden dient te worden tekenen zich toch loges af met overwegend orangisten of patriotten als leden. De Groote Loge kan als gevolg van de politieke situatie een aantal jaren niet bijeenkomen. Veel leden zijn betrokken bij de Bataafse Revolutie van 1795 die een einde maakt aan het bewind van stadhouder Willem V.
Vrijmetselaren zijn ook betrokken bij de eerste Nationale vergadering en het ontwerp van een Grondwet. In 1798 verandert de Groote Loge van naam en gaat verder als het 'Grootoosten der Nederlanden', die een sterkere democratische en patriottische koers vaart. De misschien te nauwe verwevenheid tussen vrijmetselarij en politiek leidt er in de jaren na de Bataafse Revolutie echter ook toe dat de organisatie onder vuur komt te liggen.

Grootoosten
Het Grootoosten, zeg maar het nationale ‘parlement’ van de Nederlandse vrijmetselarij, komt in Den Haag terecht en niet in Amsterdam (1735). Den Haag wordt daarmee het centrum van de Nederlandse vrijmetselarij, waar tot op de dag van vandaag het Hoofdbestuur van de Orde der Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden is gevestigd, nu in de Javastraat.
Tegenwoordig telt de vrijmetselarij in Nederland nog steeds zo'n 160 actieve loges met enkele duizenden leden. En de organisatie houdt zich nog steeds bezig met filantropie, onderlinge ondersteuning en persoonlijke ontwikkeling.

* Dit artikel is in 2025 in de zogenoemde profanen-uitgave van VM gepubliceerd. De historische feiten van het artikel zijn gecontroleerd door Drs. Andrea Kroon, verbonden aan onder andere het Vrijmetselarij Museum van de Orde van Vrijmetselaren in Nederland.

Reactie plaatsen

Reacties

Hans
14 dagen geleden

In grote lijnen eens met die betoog - de Engelse Premier Grand Lodge is waarschijnlijk in 1721 opgericht en zeker niet op StJansdag, een katholieke feestdag.

De stadhouder had een eigen loge, waar zijn Engelse kok een belangrijk lid was - en dubbelspion.

Ook wordt voorbij gegaan aan de logés van teruggekeerde Patriotten, die vanaf ca 1800 in diverse steden werden opgericht.