Kent u de publicatie De Oude Plichten toen en nu? Zij is dit jaar geschreven en uitgegeven door de GrootSecretaris (GS) van de Orde van Vrijmetselaren.
Ik ken de publicatie niet alleen, ik heb haar ook gelezen. Waarover gaat ze? Het antwoord op die vraag geeft de GS in zijn voorwoord. Op enkele regels na, laat dat hetvolgende lezen:
- ‘Dit boek gaat over de Oude Plichten van de Nederlandse vrijmetselarij. Niet over de Constitutions van Anderson uit 1723, maar over de tekst zoals J.P.J. Du Bois die in 1758 formuleerde en de Grootloge in 1760 aannam. Die tekst is de grondtekst van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden — de maatstaf waaraan wij ons handelen toetsen.’
‘(…).’
‘Die tekst wordt in onze Orde 'onveranderlijk' genoemd. Dat is geen toevallige kwalificatie. Zij drukt uit dat de Plichten niet de status hebben van gewone reglementering, aan te passen wanneer het bestuur of de tijdgeest dat wenselijk acht. Zij vormen de grondnorm van de Orde — de verwoording van haar identiteit, overgeleverd van generatie op generatie. Wie lid wordt, verbindt zich aan een traditie die hem voorafgaat. De Plichten zijn daarin het anker. Maar een anker is geen decoratie. Het heeft functie. En die functie veronderstelt dat men weet wat men vasthoudt — en waarom. Daarin schuilt de centrale vraag van dit boek. Niet: moeten de Plichten worden gewijzigd? Maar: wat betekenen zij voor broeders die uit het hier en nu komen en niet uit 1758? Wat vraagt een tekst die over God spreekt in een geseculariseerde samenleving? Wat vraagt een tekst over burgerplicht in een tijd van tanend institutioneel vertrouwen? Wat vraagt een tekst over gemeenschapszin aan mensen die gewend zijn hun verbanden zelf te kiezen en op te zeggen?’
‘Dit boek biedt geen nieuwe versie van de Plichten ter vervanging van de bestaande. Het biedt wel de tekst zelf, een hertaling, commentaar, een leidraad voor gesprek, een proeve van actualisering, en een historisch en filosofisch essay. Samen vormen zij materiaal voor wie de Plichten serieus wil nemen — niet als museumstuk, maar als levende norm die gelezen, doordacht en besproken wil worden. Een broederschap die haar grondslagen niet meer bevraagt, verliest haar scherpte. Een broederschap die haar grondslagen herschrijft telkens als de wind draait, verliest haar vorm. De ruimte tussen die twee is waar dit boek zich bevindt.’ -
Duidelijke taal, toch? Wijze woorden zelfs. Maar na het lezen van de gehele publicatie bekruipt mij toch het gevoel dat het werk bedoeld is om iedere eigentijdse, moderne gedachte en/of opvatting over de Oude Plichten zo beperkt mogelijk te houden. Dat het heil en de toekomst van de Nederlandse vrijmetselarij alleen gediend is met strikte controle over het vrije denken. En toch is de ondertitel van het werk: Een uitnodiging tot gesprek!
Welnu, ook ik vraag mij regelmatig af hoe de Nederlandse vrijmetselarij zich moet verhouden tot de tijd van vandaag de dag. Overigens, ik denk dat iedere vrijmetselaar dat wel doet, nietwaar?
De Orde van Vrijmetselaren kent sinds 1760 inderdaad de Oude Plichten van Du Bois. En anno 2026 vormen ze nog altijd het fundament van de traditie die Koninklijke Kunst wordt genoemd. Maar is het júist daarom niet de moeite waard zich af te vragen of dat wat ooit waardevol was, vandaag de dag nog wel altijd toepasbaar en steeds passend is?
Als Du Bois in 1758 de Oude Plichten formuleert, is de tijd en de wereld wezenlijk anders dan de tijd en wereld van nu. Over gezag, over het geloof in een Opperwezen of een hogere macht, over gelijkwaardigheid en over de manier waarop organisaties functioneren wordt totaal anders gedacht. Begrijpelijk, want álles is aan verandering(en) onderhevig. Panta Rhei, toch? Dat betekent overigens niet dat tradities zomaar over boord gegooid moeten worden, maar wél dat er een eerlijk en gezond besef moet zijn van waarom bepaalde Oude Plichten nog altijd in ere worden gehouden.
Ik hoor wel eens dat juist de onveranderlijkheid de kracht is van de vrijmetselarij die de Orde voorstaat. Daar zit veel waarheid in. Iedere vrijmetselaar weet dat de rituelen en de daarbij behorende archaïsche gebruiken en handelingen zorgen voor verbinding. Ze geven met name betekenis en verdieping aan de open loges, de comparitieavonden én de broederschap krijgt erdoor het ultieme gevoel deel uit te maken van iets groters. En toch… Tóch vraag ik mij af of trouw zijn aan traditie(s) wel hetzelfde is als rigoureus en rigide vasthouden aan iedere Oude Plicht, ongeacht veranderde en veranderende omstandigheden.
Open en eerlijk gezegd, riekt dat voor mij ondubbelzinnig naar dogmatiek. En dat voelt ongemakkelijk. Dat schuurt. Flink zelfs! Naast mijn journalistieke opleiding heeft de vrijmetselarij mij het belang bijgebracht van het stellen van vragen en het niet accepteren van klakkeloze antwoorden. Vrijmetselarij gaat over de zoektocht naar waarheid, niet over het bezit ervan. Als de vrijmetselarij stelt dat haar beoefenaren kritisch naar het leven en de wereld moeten kijken, waarom is het dan niet mogelijk ook kritisch te kijken naar de Oude Plichten?
Nee, laat ik duidelijk zijn, ik pleit níet voor modernisering om de modernisering zelf. Niet iedere Oude Plicht is achterhaald, niet elke nieuwe gedachte is altijd beter. Soms hebben tradities een diepere betekenis die pas zichtbaar wordt wanneer ze langer bestaan. En het zou jammer zijn als die verloren raken uit een verlangen om met de tijd mee te gaan. Om te moderniseren.
Ik weet het ook niet precies, dat geef ik eerlijk toe, maar misschien ligt de juiste houding ergens in het midden, net als de waarheid. Niet alles hoeft te veranderen, maar niets zou ook niet aan verandering onttrokken mogen zijn. Ik denk namelijk dat iedere vrijmetselaar zich telkens weer en opnieuw de vraag moet stellen of de Oude Plichten nog wel bijdragen aan het doel van de vrijmetselarij? Helpen zij nog wel beter mens te worden, de rituelen en symboliek levend te houden en de broederschap te versterken? Als het antwoord 'ja' is, dan is een Oude Plicht het behouden waard. Maar is het antwoord 'nee', dan moet daarover vanzelfsprekend inderdaad het gesprek aangegaan worden.
Juist daarin ligt volgens mij ook de kracht van de Nederlandse vrijmetselarij én de Orde. Niet in het krampachtig en rigide vasthouden aan het verleden, maar in het levend houden van een traditie die ongeacht tijd en wereld telkens weer en opnieuw uitnodigt tot bezinning. Tot vrij (!) denken... Een levende traditie is geen dogma. Een levende traditie ademt, groeit en ontwikkelt zich, terwijl zij tegelijkertijd trouw blijft aan haar diepste waarden.
En daarin geloof ik.
Reactie plaatsen
Reacties